Het Oorlogsdagboek van Corri Verduin
2 mei 2012 om 00:00 AchtergrondHet NIOD deed een oproep om oorlogsdagboeken in te leveren. Na enige aarzeling besloot Corri Verduin om contact op te nemen: ,,Ik was in de oorlog nog maar een kind en dacht dat het dagboek daardoor minder interessant was. Maar bij het NIOD waren ze juist heel blij met een kinderdagboek. Ze hadden nog geen exemplaren van zulke jonge kinderen. Van volwassenen zijn er veel getuigenissen. Dit dagboek geeft juist een beeld hoe kinderen de oorlog hebben ervaren.’’
Corri Verduin groeide op in een doorsnee gezin van vader, moeder en een oudere zus. Vader werkte in een kabelfabriek, als hoofd van het laboratorium. Het is een hecht gezin en er wordt veel aandacht besteed aan sociale activiteiten zoals muziek maken, zingen en bezoekjes afleggen aan familie. Ze wonen op een bovenverdieping in Delft. Corri zit nog op de lagere school en gaat later naar de ULO.
Corri Verduin krijgt het dagboek voor haar elfde verjaardag van haar zus Ietje cadeau. Op 16 mei 1943 begint het dagboek van de 11-jarige scholiere. De oorlog is dan al enige tijd aan de gang en één van de eerste dingen die ze opschrijft is: ‘Ik hoop dat het de volgende verjaardag vrede is’. We vinden in het boek gebeurtenissen die je kan verwachten in het leven van een jong meisje. Verhalen over school, vriendinnen, pianoles en uitstapjes staan vermeld.
Tussen de gezellige verhalen komt toch steeds weer de oorlog om de hoek kijken. Dan blijkt dat Corri niet meer kan fietsen omdat vader haar achterband heeft ingeruild voor voedsel. Of volgt er na het vermelden van een leuk uitstapje een gruwelijk verhaal over een jongetje dat ‘rotmof’ heeft gezegd tegen een Duitser die op zijn knikkers is gaan staan. Dat heeft de jongen met de dood moeten bekopen, zo lezen we in het boek van de jonge schrijfster.
Corri Verduin: ,,Toch heb ik niet geschreven over één van de ergste dingen die ik heb meegemaakt. Ik had een joods vriendinnetje dat uit Duitsland was gevlucht, Karin Solowski, dat op zeker moment is weggevoerd met haar ouders en broer. Ik had met haar afgesproken om te gaan spelen, maar toen ik bij haar huis aankwam, was er niemand thuis. De buren vertelden me dat er ‘s morgens een zwart overvalwagentje langs was geweest. Later hoorden we dat ze waren vergast in Sobibor. Moeder had nog aangeboden om Karin bij ons in huis te nemen, zodat ze geen risico zou lopen om opgepakt te worden. Maar haar ouders wilden dat niet en geloofden ook niet echt dat er hele vreselijke dingen zouden gebeuren. Ik heb een Jodenster die ik van haar heb gekregen in mijn dagboek geplakt.’’
,,Er werden veel nare verhalen verteld, maar vader zei: Dat doe je toch niet met mensen, zelfs de Duitsers niet. Het is toch een beschaafd volk, dat grote dichters heeft voortgebracht. Pas na de oorlog drong het tot hem door dat het allemaal nog veel erger was geweest dan de vreselijke verhalen die toen al verteld werden.’’
Corri Verduin: ,,Echte verzetsdaden hebben we niet gepleegd, maar aan de rand hebben we wel een beetje meegeholpen. We hebben Joodse onderduikers in huis gehad, want een neef van vader zat in het verzet. Het waren kinderen die naar andere adressen gingen, maar één nacht moesten overbruggen. Ik heb met mijn schooltas ook Vrij Nederland en Trouw rondgebracht. Hoe vader aan die illegale bladen kwam, weet ik niet. Een angstig moment was er in 1942. Vader had in zijn fabriek een staking georganiseerd in navolging van de Februaristaking. Toen we bericht kregen dat hij zou worden opgepakt, zijn we bij een tante gaan logeren.’’
Dat moeder de dood van haar eerstgeboren zoon op 2-jarige leeftijd nooit helemaal te boven is gekomen blijkt uit een voorval uit de oorlog: ,,We kregen zes weken lang gedwongen inkwartiering van twee jonge Duitse soldaten van 18 en 17 jaar oud. Moeder vond dat vreselijk en de jongens mochten hun geweren niet mee naar boven nemen. Als Fritz en Heinz later aan het oostfront sterven, is ze echter erg overstuur en huilt vreselijk. Ze schrijft zelfs een brief naar de moeders die hun zonen zijn verloren.’’
Als vader bij de voedseluitdeling aan het werk gaat, mag Corri mee om de voedselbonnen van de mensen aan te nemen en in te plakken: ,,Vader had vier bussen laten maken die hij met voedsel vulde. Omdat hij erg was afgevallen, kon hij de bussen onder zijn jas verstoppen. Het eten ging naar gezinnen die deelnamen aan de spoorwegstaking en dus geen voedselbonnen hadden.’’
Zoals overal in het westen is de Hongerwinter ook bij de familie Munnik een heftige tijd. Corri en haar zus Ietje raken ondervoed en krijgen een medische verklaring waarmee wat extra eten te verkrijgen is. Moeder zet zelfs een advertentie in de krant om haar beste jurk en het pak van vader te ruilen voor aardappelen en peulvruchten.
Een hongerige Corri heeft recepten met tulpenbollen in haar dagboek geplakt en op 16 februari 1945 schrijft ze: ‘Met de oorlog gaat het goed. De Russen zitten nog 52 km van Berlijn. In Engeland liggen de schepen met textiel en eten al op ons te wachten. Als ze met bevrijden nu maar een beetje opschieten’. Vader heeft een grote wereldkaart met vlaggetjes en nauwlettend worden de vorderingen van de geallieerden gevolgd op radio Oranje. Corri is blij met iedere overwinning op de Duitsers en noteert het allemaal in haar dagboek.
Op 29 april 1945 is ze getuige van het droppen van voedsel door de Engelsen: ‘Is dat nou geen fijn nieuws. Ik denk dat ik heus de volgende keer in vrede schrijf’. En eindelijk is het zover. Op 5 mei is te lezen: ‘Vrede!!! Heus. Gisteravond om 9 uur doorgekomen. De mensen zijn gek. Je mag maar tot 9 uur buiten. Maar de mensen waren om half 11 nog buiten en die moffen konden er niets aan doen’.
Jaren later gaat Corri in 1956 als roeister van de nationale selectie naar Duitsland om deel te nemen aan internationale wedstrijden. Ze verwacht vreselijke mensen aan te treffen, maar wat blijkt: ,,De Duitsers bleken juist allemaal hele aardige mensen te zijn’’, zo zegt ze met de verwondering van toen nog in haar stem.
u Zie ook www.niod.nl








